Het verhaal van een taal

 

Dialecten Deel 1

 

Voor Nederlanders en Vlamingen is het Nederlands de taal die ze op school leren. Het is de taal van de krant, de roman, de regering. Het standaard Nederlands is voor veel Nederlanders en Vlamingen een beetje een vreemde taal; niet ‘eigen’, maar ‘eigen gemaakt’. Hun ware taal is het dialect. Dialecten vormen een band met de geboortestreek. Dialectwoorden drukken iets uit van ‘een eigen identiteit’.
Dialecten verschillen vaak van elkaar. In Tegelen bijvoorbeeld worden bepaalde woorden anders uitgesproken en opgeschreven dan in het Venloos. In Tegelen spreken we van ‘naat en kaat’ en van ’kaaje heng’. In Venlo zeggen ze ‘naat en kald’ en ‘kalde jatte’ of ‘kalde klevieëters’. Toch liggen Venlo en Tegelen op een steenworp afstand van elkaar !

De dialecten zijn ouder dan de standaardtaal. Uit de dialecten is de standaardtaal ontstaan.

 

Er worden twee soorten taalvariatie onderscheiden: horizontale en verticale.

Horizontale variëteiten zijn alleen te vinden in een bepaald dorp, of in stad – streekdialecten. Dialecten hebben eigen regels: een eigen woordenschat, grammatica en klanken. De verschillen in uitspraak (huis, hois, hoes, huus) vallen het eerste op. De verschillen in woordenschat lijken het spectaculairs.
In Holland is een ‘kus’ een ‘zoen’. In Groningen, Drenthe en de Achterhoek is een kus een ‘smok’. Alleen in Groningen wordt er gesproken van een ‘doetje’. In Friesland – het Fries is overigens een taal – gebruikt men het woord ‘tuutsje’ en in West– Vlaanderen spreekt men van ‘een pieper’. In Nederlands Brabant en Limburg heet een kus een ’mondje’, ein ‘mundje’ of ein ‘(kös)-muulke’.

 

Verticale variëteiten zijn niet aan een streek gebonden, maar ze weerspiegelen maatschappelijke verscheidenheid. Elk beroep heeft bijvoorbeeld zijn eigen ‘vaktaal’. Jongeren gebruiken andere woorden dan ouderen (vet, cool, watje….)

 

De verbreiding van een algemene standaardtaal heeft tot onvermijdelijk gevolg gehad dat dialect-spreken meer of minder sociaal bepaald is. Vooral in de steden in de Randstad is dit zo. Hoe ‘platter’ men spreekt, hoe lager men vaak op de maatschappelijke ladder staat. Deze uitspraak gaat natuurlijk niet voor iedereen op!

 

In steeds grotere delen van Nederland wordt er amper nog dialect gesproken. In Limburg neemt het aantal mensen dat nog dialect spreekt ook af, maar vergeleken met de rest van het land, wordt er nog relatief veel dialect gepraat. De eersten bij wie het dialect verdwijnt zijn vaak de beter gesitueerden. Spreken zij het niet meer, dan wordt het dialect ook niet langer meer geassocieerd met het gedrag van de hogere standen en wordt het dialect in het vervolg lager aangeslagen. Verschillende mensen vinden het gedrag van de beter gesitueerden navolgenswaardig; de standaardtaal is dus voor die mensen een statussymbool.

 

Naast klasse, beïnvloedt verstedelijking evenzeer het dialectverlies. Steeds minder jongeren spreken nog dialect.

 

In dialectgebieden spreken we steeds vaker van ‘disglossie’ (tweetaligheid): Het Nederlands wordt gesproken bij officiële gelegenheden, het dialect in informele situaties. Dialecten en standaardtaal hebben gewoon verschillende functies. Dialecten hebben vooral een sociale functie. Mensen die hetzelfde dialect spreken, hebben het gevoel dat ze bij elkaar horen.

Het verschil tussen streek- en stadsdialecten is dat streekdialecten (hier valt het Venloos ook onder) door velen, ook degenen die een hogere klasse vertegenwoordigen, wordt gesproken.
Met stadsdialecten, vooral in de steden die in de Randstad liggen, is dit anders. Het stadsdialect wordt meer gekoppeld aan de sociale klasse waarbinnen iemand zich beweegt.

Volgens onderzoek wordt de afstand tussen standaardtaal en stadsdialect steeds kleiner. Toch kunnen de sprekers van het stadsdialect zich minder goed aanpassen aan de standaardtaal dan de streektaalsprekers.

Wordt vervolgd…

 

Ans Geerits

Aanvullende gegevens