Het altaarreliek van de Lambertuskerk te Blerick

1 Gered van de sloop


Het kan verkeren. In de periode na de eerste wereldoorlog was er een zodanige toename van het aantal katholieke gezinnen in Blerick, toen nog een woonkern van de gemeente Maasbree, dat de parochiekerk, de Antonius (van Padua) kerk, te klein werd en de behoefte ontstond de parochie op te splitsen. En zo geschiedde. Op 6 juni 1935 werd de nieuwe kerk, de Lambertuskerk, feestelijk ingezegend door bisschop Lemmens. 1  Ruim vijfenzeventig jaar later was het tij gekeerd. Voortschrijdende ontkerkelijking leidde ertoe dat het aantal kerkgangers dusdanig daalde dat de exploitatie van het kerkgebouw niet meer rendabel was. In 2012 viel het besluit de kerk aan de eredienst te onttrekken. 2 Het gebouw werd verkocht, ontmanteld en overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Op 17 juni 2012 werd er voor het laatst de H. Eucharistie gevierd en werd het Allerheiligste, vergezeld van het levensgrote beeld van St.-Lambertus, in processie overgebracht naar de Antoniuskerk (zie afbeelding 1). Bij de noodzakelijke verbouwing die volgde, moest ook het altaar het ontgelden. Toen daar de boorhamer in ging, kwam er uit het puin een loden doosje tevoorschijn, omwikkeld met een rood lint (zie afbeelding 2). Het doosje werd overgedragen aan Paul Huver, die als redacteur van wijkblad “Punt” het proces van ontmanteling en verbouwing op de voet volgde en in de kerk aanwezig was. Paul vermoedde dat het doosje de relikwie bevatte die in de katholieke kerk traditioneel in elk altaarblad ingemetseld wordt. Hij ging ermee naar pastoor Sjaak Haver, die hem echter verzekerde dat het onmogelijk een altaarrelikwie kon zijn, omdat die al eerder was overgebracht naar de Antoniuskerk. Hij gaf Paul toestemming het doosje mee naar huis te nemen om het aan een verder onderzoek te onderwerpen. Toen Paul het doosje opende trof hij er een bruin velletje en een klein kromgetrokken pakketje in aan, allemaal kurkdroog en hard (zie afbeelding 2). Hij liet alles voorzichtig intact en toog ermee naar de Venlose stadsarcheoloog dhr. Maarten Dolmans, die hem weer doorverwees naar Prof. George Maat, fysisch antropoloog te Leiden en expert in de forensische antropologie. Prof. Maat wist door middel van lichtmicroscopisch histologisch onderzoek (immers, de coupes worden bij de reliek bewaard) te achterhalen dat het materiaal van de velletjes en het pakketje perkament was, met andere woorden: gedroogde dierenhuid. Hij adviseerde Paul het perkament te weken in een fysiologische zoutoplossing en het dan met een kwastje voorzichtig van loodresten te ontdoen. Vervolgens zou Dr. P. Hofman, forensisch radioloog aan de Universiteit van Maastricht, een röntgenfoto kunnen maken om te zien of er resten van inkt op het perkament aanwezig waren. Astrid Huver nam het weken en schoonmaken voor haar rekening. Het pakketje bleek, toen het week werd, een geelachtig staafje van ongeveer een centimeter lang te bevatten (Afbeelding 3).  En het velletje bleek dubbelgevouwen ze zijn. Na openvouwen was op de binnenzijde vaag een tekening te zien, een soort stempel. Daarvan werd een foto naar Prof. Maat gestuurd, die de afbeelding identificeerde als het wapen van Guillaume Lemmens, bisschop van Roermond van 1932 tot 1957 (zie afbeelding 4). Bij dr. Hofman in Maastricht werden röntgenfoto’s gemaakt, die echter niets aan het licht brachten wat niet ook al met het blote oog te zien was. Volgens Dr. Hofman kon het staafje zowel hout als bot zijn. Pauls zwager Frans Cupedo legde het voorwerpje onder de microscoop en stelde vast dat het een stukje bot was. Daarmee stond eigenlijk wel vast dat we te maken hadden met een altaarreliek.


Intermezzo I. Wat is een altaarreliek? In de eerste eeuwen van het christendom stonden Christus’ volgelingen bloot aan felle vervolging. Velen stierven als martelaar. Het werd een gewoonte om, in het geheim, boven het graf van martelaren bijeen te komen om er de offermaaltijd te vieren. 3 Toen keizer Constantijn de nieuwe godsdienst erkende (in 325) en later zelfs tot staatsgodsdienst maakte, werd dat gebruik legaal en ging men ertoe over om op die liturgische plekken een kerk te bouwen. Het altaar werd boven het graf van de martelaar geplaatst. Zo is onder andere de (voorloper van de) St.-Pieter in Rome ontstaan, waarvan het altaar boven het graf van Petrus werd gebouwd. Het aantal geschikte plekken werd natuurlijk snel minder, want verreweg de meeste martelaren lagen begraven in de catacomben. Toen de rek er helemaal uit was heeft men, heel inventief, de zaken omgedraaid: bij de bouw van een kerk werd het lichaam van een martelaar herbegraven in een grafruimte (het “sepulchrum”) onder het altaar. Voor het gemak ging het opgraven (de “elevatio”) automatisch gepaard met heiligverklaring. 4 Natuurlijk kwam er een moment dat ook deze bron uitgeput raakte. In eerste instantie ging men skeletten opdelen, later zelfs botten in stukken zagen. Maar het geluk hielp een handje. De kruistochtgangers (12de eeuw) brachten heel wat nieuwe relieken mee. Bovendien werden in de 16de eeuw in Rome de catacomben aan de Via Salaria ontdekt, met de lichamen van maar liefst 170.000 martelaren! (Dat in de catacomben ook christenen begraven werden die niet de marteldood gestorven waren, werd niet echt als een bezwaar gevoeld.) Maar ook het aantal kerken, wereldwijd, nam toe. Vanaf de tiende eeuw ging men er daarom toe over om delen (meestal stukjes bot) van martelaren, opgeborgen in een potje of kistje, in een ruimte in het altaarblad (tot op vandaag “sepulchrum” genoemd!) in te metselen. 5 Later werd het traditie die relikwieën te wikkelen in een stukje perkament, voorzien van een bisschoppelijk waarmerk en dat in een loden, zilveren of gouden kistje in het sepulchrum te plaatsen. Tegenwoordig wordt de relikwie meestal in een platte (natuur)steen verwerkt, die perfect in een uitsparing in het altaarblad past. 6 Zo is het gebruik om liturgische bijeenkomsten te houden boven het graf van een martelaar, in symbolische zin tot de dag van vandaag in stand gebleven.

Aanvullende gegevens